Toezicht in de social profit – de hybride opgave tussen organisatie en burger

Recent was ik als toezichthouder betrokken bij de beëindiging van een welzijnsorganisatie en het faillissement van een zorginstelling. Hoe ga je hier vanuit je professionaliteit en vooral je persoonlijkheid mee om? Is je beleid als toezichthouder anders dan bij een profit organisatie?

Van wie is de organisatie?

Een zeer belangrijke vraag die het verschil bepaalt tussen toezichthouden in de profit-wereld en de ‘social profit’. Het eigendom in de profit wereld is formeel duidelijk maar van wie is de organisatie, een stichting in de zorg bijvoorbeeld, die geen aandeelhouders kent? Van de zorgverzekeraars? Van de overheid? Ondenkbaar want de stichting wordt beschouwd als private onderneming. Van de gebruikers soms, de cliënten? Maar zij hebben geen aandelen en slechts zeer beperkt -en vaak via een getrapte weg- inspraak op het veelal door de overheid en financiers bepaalde beleid.
Als toezichthouder kom je, als het er om gaat spannen, de vraag tegen: aan wie leg je verantwoording af? Gaat het je om de organisatie of om wat die maatschappelijk betekent?

Twee voorbeelden van hybride verantwoording

Laat ik iets uit de doeken doen over wat ik noem mijn hybride opgave als toezichthouder, in twee gevallen die ik in de afgelopen tijd meemaakte. Van één, een welzijnsorganisatie, werd de subsidie door de gemeente ingetrokken; de andere -een zorgorganisatie- ging failliet. Wat moet je in zulke situaties doen? Ik kon moeilijk anders dan handelen vanuit mijn professionaliteit en persoonlijke ervaring.
Nadat de subsidie stopte en iedereen ontslagen was, werd me pas duidelijk waarom: de wethouder had financiële ruimte nodig en stopte de subsidie. Als toezichthouder sta je met lege handen. Maar hoe leg je aan de burgers uit, dat diezelfde wethouder ruim een jaar later nog geen enkele andere organisatie of persoon gecontracteerd heeft en dat het welzijnswerk inmiddels volledig is weggevaagd? Ik was er diep over verontwaardigd dat dezelfde wethouder gevierd werd om zijn triomfantelijk gepresenteerde begrotingsoverschot. Had ik als toezichthouder de strijd met de gemeentepolitiek nog meer moeten aangaan? Met goed fatsoen durf ik me niet meer in die gemeente op openbare bijeenkomsten te vertonen. Een erg ongemakkelijk gevoel naar de burgers  want alle collectieve en individuele welzijnsvoorzieningen zijn weg.
De zorgorganisatie die failliet ging kende ik nog geen half jaar. Te kort om er als toezichthouder een duidelijk stempel op te kunnen drukken. Voor zover dat überhaupt kan want de realiteit is immers dat de bestuurder degene is die het beleid bepaalt. De tombola die ontstaat bij een tekort aan financiële middelen om op termijn inhoudelijk kwalitatieve en verantwoorde zorg te blijven leveren is hevig. De enige reden waarom je als toezichthouder kunt instemmen met een eind aan het zelfstandig voortbestaan -in dit geval helaas een faillissement- is als de kwaliteit van zorg onvoldoende geborgd is voor nu en in de nabije toekomst. Dan leg je als toezichthouder verantwoording af aan de gebruikers en de cliënten van de zorg. Niet aan andere stakeholders, die kunnen hun heil wel elders zoeken.

De keuze als toezichthouder

Deze voelt in beide gevallen ongemakkelijk en weegt zwaar. Maar juist zoals een volwassene verder kan kijken dan een kind zal een toezichthouder verder moeten kijken dan het tijdelijke ongemak. Dat is de maatschappelijke opgave van de toezichthouder, meer nog dan van de bestuurder. Meer ook dan van een bestuurder of commissaris van een profit organisatie met aandeelhouders. Een opgave waar je gemakkelijk wakker van kunt liggen en waarvan ik hoop en verwacht dat deze nooit eenvoudig wordt.

Marjolijn Keesmaat
Augustus 2016.

No comments yet.

Geef een reactie

Pin It on Pinterest

Deel dit artikel

Deel op: